Zeg me

May 16, 2011 at 6:48 pm (Uncategorized)

1.

Ze ligt plat op haar rug in de sneeuw. Ze opent haar mond om de eerste vlokken te kunnen vangen. Ze komt uit een ver land, waar sneeuw slechts de schim der wanhoop is. Grenzen zijn voor mensen die niet weten waar naartoe.

Ze beweegt haar armen heen en weer, steeds weer. “Ik ben een engel” roept ze. En zwijgt dan.

2.

Gehaast loopt ze de trappen van de aula af. “Wacht” roept ze, “ik kan zoveel beter. Laat me even, laat me even bij het oud papier.” Haar laatste woorden zijn nog niet koud of ze struikelt over haar torenhoge stilletto’s. Koud, warm, zacht. “Ik val, beter vallen kan ik niet, ik val in de sneeuw” denkt ze.

3.

Naast haar hoofd wordt de sneeuw rood. Loslopend wild komt haar besnuffelen, bekijken. “Wat doet dit nu weer op ons domein?” Allerlei kleuren strekken zich uit over de eindeloze vlakte. “Een paradijsvogel” fluistert men.

4.

De parabel van de paradijsvogel die viel en landde gaat het hele dorp rond. Van heinde en verre komen mensen de breekbare gestalte bekijken die langzaam opgeslokt wordt door de sneeuw. “Haal mij, haal mij van de openbare weg” lijkt ze te fluisteren, terwijl ze langzaam toegedekt wordt door sneeuw.

5.

Slapen zal ze, slapen. Met wijdopen ogen, toegedekt met sneeuw. “De woorden haar eenzaam graf” huilt de wind.

 6.

” Het liefst.

Het liefst ben ik bij u, geen uur te weinig op de klok om niet bij jou te zijn. Dan ben ik zeker, ik ben u nog niet kwijt.

En  hier lig ik dan. Eenzaam te verkommeren als een stuk oud vuil.

Ik zie u niet.

Ik zie u graag.

Ik zie u het liefst graag

Dood.”

7.

Zeg me.

Hoeveel dagen schieten er tekort voor de waanzin toeslaat?

6.

Kom’ wenkt ze. ‘Neem me mee.
Naar het Land van Liefde.
Wijs me de weg. Bevrijd me.

En vergeet me dan.

 

Permalink Leave a Comment

dingen die niet overgaan

May 15, 2011 at 5:56 pm (Uncategorized)

Hoe jij mijn wonden leeg likt met jouw woorden. Ze dicht naait met alle liefde die je in je hebt, zonder ook maar één korreltje zout in de wonde te strooien.

Hoe je ogen stralen als je naast mij ontwaakt, hoe verwaaid en verdwaald ik er soms ook kan uitzien ’s morgens. Jij neemt mijn hand en zegt “je bent mooi”. En bovenal: je meent het ook nog.

Hoe het vuurwerk knetterend in de lucht en tussen ons in. Ik staar verschrikt naar boven, zoals ik vroeger ook naar jou kon kijken en denken “word ik nu toch wakker uit deze droom?”.  Jij zegt niets, maar schuift gewoon je armen om me heen.

Hoe ik drie kopjes ondersteboven op tafel plaatst en onder één van hen een parel leg. Ik verschuif de kopjes keer op keer over het ruwe tafelblad. Ik voel het ruwe hout onder mijn vingertoppen. En ik weet dat ik altijd de parel in jouw schelp zal vinden.

Hoe ik weet dat ik altijd een “full house” zal hebben, ook al hou ik de laagste kaarten vast. Op mijn pokerface is voor altijd een glimlach geschroefd. Als ik aan jou denk, springt ook mijn hart op.

Hoe ik niet meer angstig achterom hoef te kijken. Bang dat mijn Roodkapje het rechte pad verloren heeft, en enkel nog de wolf op haar wacht. Er is altijd een hand om mij te leiden en een arm om in uit te huilen  als het wat minder gaat.

Hoe jij de hoeder bent van mijn donkere gedachten, en ze verwijdert uit de kudde. Behoedzaam breng je al de goede schaapjes op het droge.

Hoe ik thuis kom, jij me in je armen neemt en kust alsof ik eeuwen ben weg geweest. Keer op keer voel ik mij de schone slaapster die haar prins terug vindt.

Hoe wij weten dat als wij zichtbaar zwijgen, we het kloppen van onze harten zullen horen. En onze ziel elkanders naam fluistert. Als in een eeuwenoud lied.

Weggaan is geen afscheid nemen.

Weggaan is de deur keihard dichtslaan. In de hoop dat iemand je achterna komt om je tegen te houden.

Ik weet dat jij dat zal doen.

En ik blijf, iedere dag opnieuw.

Permalink Leave a Comment

that particular time

May 15, 2011 at 5:37 pm (Uncategorized)

Zijn ogen vielen dicht alsof hij in een bodemloze put vol slaap viel. En niet het landen was het doel maar het vallen, het vallen op zich. Alsof het vallen alles inhield wat hij in zijn leven niet kon, waar hij grenzeloos voor vocht. En ik keek naar hem, hoe hij zijn dromen schikte rond zich heen en zichzelf in de dwangbuis van de slaap dwong. In zijn hals bonkte zijn hart, alsof het hard en rood naar buiten wou maar niet verder kon dat dit tere witte vlees dat aan de oppervlakte blonk. Hoe gemakkelijk zou het zijn hem nu te vermoorden… Maar ik deed het niet, hij leek zo kwetsbaar, zo lieflijk en vredig terwijl het leek alsof hij achter zijn oogleden een gevecht op leven en dood uitvocht. Zijn eigen innerlijke oorlog. Ik voelde zijn onderhuidse tranen krabben aan zijn vel om hem open te snijden. Ik hield mijn handen op zijn zachte huid en ik voelde hem kalmeren. Stilletjes zwom hij verder door zijn dromen, af en toe vechtend met de slangen van zijn eigen angst waardoor ook ik in de klappen deelde.

Nog mooier dan in werkelijkheid was zijn droomgestalte. Hij werd een Viking, een krijger in het diepst van zijn gedachten. Enkel nog gericht op de jacht, met als enig doel het vallen, het vallen op zich om de jacht op de angst te voltooien. Het vallen in mijn armen waarin ik hem in slaap zou wiegen, die zachte rode aardbeienlippen zou leeglikken en die oogkassen die zouden opbollen als het zeil waarin ik onze liefde wou vangen. Alles wat ik hem nog wou zeggen, lag als een sprookje in mijn handen: ik hou van jou en ik ben niet bang. Ik ben niet meer bang van de val want jij zult mij vangen. Ik ben niet bang meer van de liefde want jij zult van mij houden. Ik ben niet bang meer van mijn dromen want jij zult ze weer in slaap wiegen. En in dat zachte moment dat tijd opslokte als een zwart gat werden wij één. Voor één keer werd ik een jager, en hij voelde zich even de prooi.

Toen vloeiden we over in elkaar en werden we jager, prooi in één. We werden wij en ik voelde me goed in dat grote vel dat ons omspande als de sterrenhemel in een donkere nacht. Ik voelde me goed in de huid die ik bewoonde als een zwerver in een kraakpand: altijd klaar om desnoods weer op de vlucht te slaan, met alle gevolgen en littekens vandien. Toen ik deze gedachten in mijn vingers las, opende jij je diepe ogen en ik voelde je tevredenheid. Je krulde je op in mijn gedachten en met open armen gaf ik je mijn liefde, opnieuw en opnieuw. We waren elkaars jager, we waren elkaars prooi. We vonden elkaar in dit bed vol liefde, vol strijdtoneel. Mijn Viking, mijn krijger, mijn Ierse koning, hier lig ik dan. Met mijn hart in mijn handen. Neem me, neem mijn hart, neem me mee naar het diepst van je gedachten, naar het kasteel dat je bewoont met al je dromen. Ik zal er altijd voor je zijn en ooit zal ik je misschien kunnen tonen dat jij de nachthemel bent die mij koestert in het donkerste van mijn gedachten, met jouw ogen als de sterren die mij zullen leiden naar het hemelrijk in jouw armen…

Permalink Leave a Comment